Arjen de Wit

Categorie: Proza

Tempelhof

“Het is net een computerspel”, zegt ze. Met verlegen blauwe ogen kijkt ze me aan. “Als je over de strepen van de landingsbaan fietst, lijkt het of je vliegt.”

Ze leent me haar fiets en ik rijd langs de entree van het voormalige vliegveld Tempelhof waar adelaars met een stenen blik opzij kijken, verontwaardigd dat de Führer al zo lang niet is langsgekomen. 

Ik ben een luchtbrug. Ik leg verbanden, tussen vroeger en nu, tussen Amsterdam en Berlijn. In deze stad is altijd ruimte, hier is het nog geen noodzaak om iedere vrije vierkante meter vol te bouwen. Grijze wolken draaien boven het lege vliegveld. Rechts houdt een man zijn kite strak in de wind.

Ik ben een Amerikaanse DC-9. Ik kom hier met verlangens zo westers als een big mac. Ik droom van goedkoop bier in een oude fabriekshal, van lelijke huizenblokken en meisjes met verlegen blauwe ogen. De fietsbanden glijden over de brede witte strepen. Ik vlieg.

tempelhof

Het decor

Buiten glijden grijze wolken in banen voorbij. Ik kijk over de Hofstad, over de torens van de Ridderzaal en over ministeriële gebouwen die tot in de hemel reiken. Wist u dat het plafond van de plenaire zaal in de Tweede Kamer de kleur heeft van een typisch Hollandse lucht, de lucht die zoveel schilders heeft geïnspireerd?

Alles

Wanneer ik langs het ziekenhuis fiets denk ik aan de mensen die hier doodgaan, ook op dit moment. Tijd en regen tikken weg.

De man die alles wist (3)

Het wordt een miniem stukje warmer. Een meteoriet ter grootte van een kiezel verbrandt in de atmosfeer. Hij denkt aan de vliegtuigen die opstijgen en de auto’s die over de aarde rijden. In het Westland laat een tuinder per ongeluk de grote koeling openstaan maar in Azië beginnen mensen rond deze tijd met koken. In het westen van Ghana zorgen deelnemers van een plaatselijke marathon voor een bundel energie. De man denkt koelkasten, uitlaten, geisers, fabrieken, lampen, zeeën en wolken. Hij ziet hoe de lucht, boven Amerika opgewarmd, zich dartelend had verplaatst over de oceaan en was afgekoeld om zich vanaf het zuidwesten op de Europese kust te storten, hoe het tot stilstand was gekomen en bezonken was naar de aarde. Hij weet de gebouwen om zich heen, de lichtinval van de zon vanaf de punten van de zuidelijke daken, de dikte van het asfalt, de bomen op tientallen meters, de jongen die naast hem loopt en de zachte warmte die hun beider lichamen uitstralen. Hij voelt de zenuwen vlak onder zijn huid. Hij voelt hoe het een miniem stukje warmer wordt.

De man die alles wist (2)

Het behang, ooit wit maar nu gekleurd door vette handen en sigarettenrook. Hij weet wie het gemaakt heeft, machines en arbeiders in de Zaanse fabriek, decennia geleden. Hoe het in de vrachtwagen is geladen en in een winkel terechtkwam. De mensen die het kochten. De lijm die ze mengden, en hoe ze nog ruzie kregen over de hoeveelheid water die erbij zou moeten. Hij weet wat er gebeurd is in deze kamer, welke geuren er langs de muren hebben getrokken, hoeveel peuken er zijn opgebrand. Zijn gedachten tollen als hij denkt aan de geschiedenis van al deze onbelangrijke gebeurtenissen. Materialen, luchtstromen, mensen, situaties en woorden; alles staart hem aan. Hij zou de moleculen eeuwen terug kunnen voeren. Hij probeert zijn gedachten te remmen maar de hoofdpijn neemt toe.

De man die alles wist (1)

Hij herkent alles wat in zijn eten zit. Hij proeft het meel waar de tarwepasta uit bestaat, droog en korrelig op zijn tong. De eieren die erdoorheen zijn geslagen. De pijnboompitten, gemalen met hompen verse knoflook als basis voor pesto. De hap maalt nog eens door zijn mond. Meel aangelengd met melk en water, pitten en look aangelengd met bittere olijfolie. Hij proeft alle handen die aan het deeg hebben gezeten, de machine waarmee de pasta is uitgerold en gesneden. De geur van de basilicum trekt voorbij als een trage zomerwolk. Alles is romig, de gare pasta en de groene saus. Een restje zout likt langs zijn tong terwijl de hap richting slokdarm vertrekt. Slikkend kijkt de man naar het behang voor zijn neus. Hij weet alles.

Zonder gevolgen

De mierzoete geur prikt in mijn neus. Mijn gedachten zijn niet bij de plastic puntzak in mijn hand. Wat nu, denk ik, als je een keer iets zonder de sociale gevolgen kon doen. Dat je kon voordringen in de rij zonder dat mensen je verontwaardigd toespreken. Dat je seks met een ander meisje kan hebben zonder dat je vriendin jaloers wordt. Dat je die vervelende collega eens goed kon beledigen om daarna weer in alle vertrouwen verder te werken. Dat je mee kon doen aan The Voice zonder vervolgens voortdurend op straat herkend te worden. Of in je huis het beste en wildste feest ooit geven waarna de buren je de volgende dag gewoon weer vriendelijk groeten. De mogelijkheden zouden eindeloos zijn. Mijn ogen dwalen over rode zuurlappen en zachte apenkoppen. Dan leg ik mijn hand in een van de bakken en woel in de zachtzoete drop. Het liefste zou ik zo veel drop in mijn mond stoppen dat ik amper meer kan kauwen.

 

Gomorra

Het is zo’n nacht waarin er voortdurend een laagje vettig zweet op je huid plakt. Vroeger woonden hier de rijkste kooplui van de stad, nu schreeuwt neon van kebab en bier. Ik wijk uit voor de toeristen, voor Amerikaanse meisjes in korte broeken en Britten die niet doorhebben dat ze schreeuwen in plaats van praten. Uit elk café komt een te harde bas, telkens in een net iets ander ritme. Ik dein mee, langzaam en snel, in een slalom, langzaam en snel. Dit is mijn stad, de plek waar ik het liefste ben, de as waar het leven om draait. In het volgende café zitten mijn vrienden. Ik veeg mijn mouw over mijn voorhoofd, zoek in mijn jas naar sigaretten en kijk hoe een dikke man in de goot braakt. Dit is mijn stad. Dit is mijn hel.

Geen weer

Nee, je kon niet zeggen dat Hans veel zin had in de rest van zijn leven. Langzaam liep hij langs de gracht. Het was zo’n dag waarop zelfs kinderen niet buiten spelen. Niet eens weerspiegelde het grijs van de lucht in het grijs van het water. Eigenlijk was er geen weer vandaag. Zou dat kunnen, dat de weerman zich na het journaal verontschuldigt voor het ontbreken van het weer en daarmee een verwachting ervan? Zouden mensen er dan ook niet meer over kunnen praten of zouden ze dan juist nog meer te vertellen hebben, achterover leunend in hun bureaustoelen? Als hij ergens een hekel aan had dan was het gebabbel over het weer.

Beethoven

“Wat wil je doen in je leven?”, vroeg ze wanneer we naakt rokend op bed lagen. “Gezogen worden op de Mondsheinsonate van Beethoven”, zei ik, en dan lachte ze, ze lachte haar lange lieve lach en zoog me op de Mondscheinsonate van Beethoven.