Winterdag
We liggen op de bank, Joan Baez zingt ons toe en ze krult zich tegen me aan.
“Nu ben ik net mijn kat”, zegt ze.
We liggen op de bank, Joan Baez zingt ons toe en ze krult zich tegen me aan.
“Nu ben ik net mijn kat”, zegt ze.
Terwijl we high van de legale wiet door de straten van Denver lopen probeer ik haar uit te leggen waarom het Engels ook best een umlaut zou kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in ‘cooperation’.
“Het gaat er niet om waar ik vandaan kom”, antwoordde hij, “de vraag is waar ik naartoe ga.”
Ik ben de Amerikaanse droom. Ik heb een vader uit Haïti en een moeder uit West-Virginia, ik ben gevlucht uit mijn geboortedorp om carrière te maken in de grote stad.
De enige keer in mijn leven dat ik heb gevochten was op mijn twaalfde, toen de ene vriendin aan de andere vroeg waarom ze met een jongen aan het daten was, want hij was zwart.
“Ik sta ernaast, hoor”, zei ik.
“Jij telt niet, jij bent half zwart.”
Cassandra, mijn huisgenoot voor vier weken, keek me aandachtig in de ogen. We kenden elkaar nauwelijks maar er was een een huisfeest waar we wiet hadden gerookt en verf op elkaars lichamen hadden gesmeerd. Ik wilde dat feestje nooit meer vergeten, ik maakte foto’s van mezelf in de spiegel met strepen verf op mijn borst om het nooit te vergeten.
Zelf was ze lesbisch, het grootste deel van de tijd, en ze hield ervan om topless rond te lopen.
“Weet jij dat je heel mooi bent?”, vroeg ze.
De wasmachine stopt, en alles was zoals het was.
Vanavond hield ik haar zachte lijf weer vast, dronken we teveel bier en zoende ik haar in de nek op het plekje waar ik haar altijd zoende.
Vaak moet hij nog denken aan Kopenhagen, waar de regen grijs is en de straten groen. In Kopenhagen wonen de mooiste mensen ter wereld.
Hij had haar ontmoet op een feestje in Amsterdam, was op slag verliefd en besloot met haar naar Denemarken te verhuizen. Een keuze uit hartstocht, een keuze voor de liefde.
Ze had blauwe ogen en een fascinatie voor schedels. Haar hele huis stond er vol mee, op alle trappen en in alle kasten, zodat je altijd een paar doodskoppen aan de kant moest schuiven om de suiker uit het keukenkastje te pakken.
De eerste weken ging het goed, maar langzaam werd duidelijk dat er iets met haar was. Soms zat ze urenlang stil op de bank, niet in staat te reageren op vragen, dan weer wilde ze van alles doen. Dan moesten ze ineens naar de platenzaak om nieuwe muziek uit te zoeken of naar het bos voor wat frisse lucht. “Ik word gek hier”, zei ze dan, met een blik in haar ogen waarvan hij een beetje bang werd.
Haar reacties op zijn vragen werden steeds vijandiger en ze werd kwaad als hij niet mee wilde. “Waarom ben je dan hierheen gekomen”, riep ze uit, “als je niets met mij wilt doen?” Ze was niet meer in bedwang te houden en de ruzies verergerden. Ze beet hem, krabde hem, sloeg hem. Na drie maanden had hij wonden over zijn hele lichaam.
Het was niet te doen, ze draaide langzaam door en uiteindelijk werd ze opgenomen in een kale kliniek op een groot park net buiten de bebouwde kom. Bij zijn weten zit ze daar nog steeds. En zo was hij vertrokken uit de stad met de mooiste mensen ter wereld, met tranen in zijn ogen en grijze regen op het dak van de auto.
Het was gezellig in de eetzaal. Wij zaten aan een tafel ervaringen uit te wisselen met een Brits stel, aan de andere tafel zaten mannen met dikke nekken te lachen en te proosten. Dat is belangrijk in Georgië, proosten, dat doen ze met ernstige gezichten en lange toespraken.
De man die het hoogst in de hiërarchie leek te staan was een kale politie-officier met een pistool in zijn riem. Hij riep ons, hij hief zijn glas en we gingen staan maar hij gebaarde dat we moesten zitten en we gingen zitten – nee, alleen de dame moest zitten. Daar stonden we, de politieman wees naar het portret van de patriarch aan de muur en alle mannen proostten op de patriarch.
We protesteerden niet, we bleven niet zitten uit solidariteit met de vrouw in ons gezelschap. We proostten met een gewapende politiebaas op het portret van de patriarch.