Viertien observaties over het waarderen en belonen van onbetaald werk
door arjendewit
Mijn tijd aan het NIAS zit erop. In de periode februari-juni 2026 heb ik met een Fellowship van Instituut Gak gewerkt aan een boek over de waarde en waardering van werk. Een kernbegrip is maatschappelijke productiviteit: werk – betaald of onbetaald – dat bijdraagt aan maatschappelijke of sociale doelen (zie hier een eerder essay). Mijn boek is nog lang niet af, maar ik heb gedaan waar zo’n fellowship goed voor is: lezen, denken, praten. Ik deel veertien observaties in vier delen.
Deel 1: Waarderen en belonen
#1: Het beleid ten opzichte van onbetaald werk is ambigu. Eigenlijk zouden we moeten spreken van ‘beleiden’ in meervoud. Als het gaat over leefbare buurten hoopt de overheid op actieve bewoners, en in de hoek van de langdurige zorg verwacht de overheid veel van mantelzorg en informele hulp. Maar in de Participatiewet is onbetaald werk vooral een probleem: huishoudelijke zorg beperkt je beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en vrijwilligerswerk is mooi, maar liefst een opstapje naar een betaalde baan. Doordat overheidsdiensten los van elkaar werken, bestaan er verschillende (tegenstrijdige) ideeën over goed burgerschap.
#2: Het huidige systeem waarmee we werk belonen (of niet belonen) is niet vanzelfsprekend.
Een markt kan een efficiënte manier zijn om vraag en aanbod van arbeid te matchen, maar dat maakt de uitkomsten van die markt nog niet rechtvaardig (zie het werk van de Canadese filosoof Joseph Heath). We hebben de overheid om te zorgen voor rechtvaardige(re) lonen. Mijn boek over maatschappelijke productiviteit gaat daarmee ook over herverdeling en politieke keuzes. Het belonen van werk omdat we het als samenleving belangrijk vinden kost geld (denk aan gemeenten die basisbanen creëren), en dat moet ergens vandaan komen. Dat lijkt radicaal, maar het huidige systeem, waarin we marktlonen accepteren als uitkomst, is dat net zo goed.
#3: Niet alleen de markt, maar ook allerlei aannames en sociale normen bepalen hoe we werk waarderen en belonen.
Tegelijkertijd weet ik als socioloog dat niet alleen ‘de markt’ bepaalt hoe we werk belonen. Onderzoekers en feministen wijzen al decennia op de gendered ongelijkheden die bijvoorbeeld ontstaan door sociale normen over het moederschap of zorgtaken. Er is een breed gedeelde assumptie dat mantelzorg of zorg voor kinderen privéaangelegenheden zijn, die we weliswaar ondersteunen met allerlei toeslagen, subsidies en verlofregelingen, maar niet zien als echt werk.
#4: Soms moet onbetaald werk onbetaald blijven. Mijn boek gaat over (on)rechtvaardigheid: een ceo van een vervuilend bedrijf verdient drie ton, terwijl een voltijd mantelzorger geen salaris krijgt. Maar het betalen van onbetaald werk is niet altijd de meest geschikte oplossing. Een financiële beloning kan ten koste gaan van een bepaalde motivatie, vrijblijvendheid en wederkerigheid. Soms zit waardering in iets anders: dat de vrijwilliger mee mag op het kerstuitje, dat de mantelzorger een bloemetje krijgt. Het gaat daarmee ook over stigma en status. Ik streef naar een wereld waarin iedereen kan werken en een leefbaar inkomen heeft; een wereld waarin we zinvol werk echt waarderen; een wereld waarin niemand zich buitengesloten voelt vanwege het werk dat ze doen, of niet doen.
Deel 2: Maatschappelijke productiviteit.
#5: Een hard onderscheid tussen maatschappelijk nuttig en niet-nuttig werk is filosofisch interessant, maar beleidsmatig riskant. Een doel van mijn boek is om een definitie te geven van maatschappelijk productiviteit. Ik dacht aan een predicaat voor maatschappelijk nuttig werk, zoals maatschappelijke organisaties ‘algemeen nuttig’ kunnen zijn (anbi’s). Ik ben er door veel mensen op gewezen dat het maken van zo’n onderscheid altijd arbitrair is en potentieel riskant, omdat het beroepen kan stigmatiseren en het overheden een wapen in handen geeft om beroepsgroepen te diskwalificeren. Hier ben ik dus iets voorzichtiger in geworden.
#6: Maatschappelijke productiviteit heeft een gedeelde betekenis. Tegelijkertijd kunnen – en moeten – we wel iets zeggen over de doelen die we samen nastreven in ons werk, zoals een gezondere samenleving of een beter milieu. Dit gebeurt voortdurend: de overheid beprijst CO2, subsidieert groene bedrijven en stimuleert topsectoren; (sociale) ondernemingen kiezen voor slaafvrije grondstoffen, bedenken milieuvriendelijke producten en reduceren hun ecologische voetafdruk. We moeten bewuste keuzes maken voor het waarderen en belonen van werk, afhankelijk de doelen waaraan het bijdraagt.
#7: Maatschappelijke productiviteit moet je wél in geld uitdrukken. Al vanaf het begin twijfel ik of je de maatschappelijke waarde van werk zou moeten kwantificeren. Want ten eerste, hoe ga je dat doen? Reken je met het uurloon van de vrijwilliger in diens betaalde baan, of het uurloon dat een zzp’er zou vragen voor dezelfde klus, of de economische waarde van de opbrengst? En ten tweede, moet je dat wel willen? Wat is de waarde van je veilig of verbonden voelen, of van een rijk cultureel aanbod? En doet een prijskaartje niet af aan wat dat echt voor ons betekent? Inmiddels denk ik dat het wél zinnig is om te kwantificeren. Natuurlijk is geld uiteindelijk een construct waar we alleen betekenis aan toekennen door afspraken, instituties en conventies, net zoals tijd (Productiviteit = Waardecreatie / Tijd). Maar het kan wel ongelijkheden of (langetermijn)opbrengsten laten zien. Onderzoekers van Ecorys en de Hanze Hogeschool berekenden dat een Groningse basisbaan de overheid € 9.240 per jaar kost, maar € 16.480 aan maatschappelijke baten opleveren: een netto winst van € 7240 per basisbaner per jaar.
Deel 3: risico’s en verzekeringen.
#8. Mantelzorg is een risico waar we ons voor zouden moeten verzekeren. Sociale zekerheid is risk pooling, het gezamenlijk delen van risico’s. En mantelzorg is meestal iets dat je overkomt. Vaak met verstrekkende gevolgen: naast psychische en lichamelijke overbelasting gaan veel mantelzorgers minder werken in hun betaalde baan, of ze stoppen helemaal. Dat betekent minder salaris, een gat in je cv, minder pensioenopbouw. Mantelzorg kun je zien als belangrijk zorgwerk, waarvoor je een leefbaar inkomen zou moeten ontvangen. Misschien moeten we niet alleen gezondheidsproblemen (zorgvragen) zien als een risico waarvoor we ons verzekeren, maar ook het zorggeven.
#9: We hebben universele sociale zekerheid nodig. Met mijnpleidooi voor het waarderen en belonen van onbetaald werk sluit ik aan bij discussies over universele sociale zekerheid. Hoogleraar Robert Vonk wees er tijdens de jaarlijkse bijeenkomst Onderzoek en Beleid van Instituut Gak fijntjes op dat de Nederlandse verzorgingsstaat beter zorgt voor mensen in loondienst dan voor groepen als zelfstandigen, migranten of dak- en thuislozen. Universele regelingen kunnen bijvoorbeeld pensioenopbouw en verzekering tegen ziekte regelen voor zelfstandigen, mantelzorgers en andere niet-conventionele werkenden. In een flexibele en inclusieve arbeidsmarkt moeten we samen de risico’s delen.
#10: Met een nieuwe definitie van werk is (bijna) iedereen productief. Arbeidsongeschiktheid is een van de pijnpunten in de huidige Nederlandse sociale zekerheid. Wachtlijsten bij het UWV, honderdduizenden mensen die zijn afgekeurd maar misschien best nog iets zouden kunnen. Of misschien al doen. Want als we huishoudelijke zorg en vrijwilligerswerk gaan zien als werk, staat opeens bijna niemand meer ‘aan de kant’.
Deel 4: De tijdgeest.
#11: Mijn onderwerp vindt veel weerklank. Als ik vertel over mijn project heeft iedereen er wel een emotie of verhaal bij. Mensen doen zelf vrijwilligerswerk, hebben ervaring in de bijstand of vinden moederschap een baan. Werk raakt ons allemaal, want we werken allemaal. Interessant daarbij is dat de reacties twee kanten op gaan. Vanuit de sociale wetenschappen krijg ik soms kritische vragen over een term als ‘productiviteit’: of dat wel de lading dekt en niet te veel meegaat met het heersende (economische) discours. Vanuit economische hoek is het verwijt eerder dat ik een versimpelde voorstelling geef van de huidige economie, waar toch echt wel meer gebeurt dan alleen maar vervuiling en oneerlijke beloning. Blijkbaar staat er iets belangrijks op het spel.
#12: De manier waarop we onze tijd indelen is geen historische constante. Een groot deel van de geschiedenis bestond er voor de meeste mensen helemaal geen duidelijk onderscheid tussen werktijd en ‘vrije tijd’: je werkte op het land, verkocht wat, deed wat in het huishouden. Pas met de Industriële Revolutie werd de klok belangrijk. Eerst met lange werkdagen, uiteindelijk in een achturige werkdag. Economische groei heeft er decennialang voor gezorgd dat we minder konden werken. Rond 1980 is dat omgedraaid: de economie is blijven groeien, maar we zijn niet minder gaan werken. De drie- of vierdaagse werkweek is inmiddels in veel beroepen normaal, maar door de toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen is het totaal aantal uren in betaald werk toegenomen. Dit gaat ten koste van de tijd die we hebben voor onbetaald werk.
#13: Met andere uitgangspunten kun je tot heel ander beleid komen.
- Stel: we maken tijd voor alle soorten werk, dan werken we korter (zeg, max. 25 uur per week) in loondienst.
- Stel: we zien mantelzorg, huishoudelijke zorg en vrijwilligerswerk als werk, dan kun je mensen daarvoor betalen.
- Stel: we beseffen dat maatschappelijke productiviteit meer oplevert dan het kost, dan zijn vergoedingen, salarissen en subsidies geen kostenposten, maar investeringen.
- Stel: we zien mantelzorg als een risico waarvoor we ons gezamenlijk willen verzekeren, dan krijgen we uitkeringen, inkomens en/of pensioenopbouw voor zorggevers.
- Stel: ‘arbeidsongeschikt’ hangt niet vast aan betaalde arbeid, dan kunnen de WW en de WIA grotendeels vervangen worden door basisbanen of participatie-inkomens.
- Stel: we belonen werk op basis van bijdrage aan het maatschappelijk belang in plaats van marktlonen, dan verdient een vrijwillige EHBO’er misschien wel meer dan de ceo van Shell.
#14: Er gebeurt al heel veel goeds. De instapeconomie in Den Haag, basisbanen in Groningen, een vierdaagse werkweek in Leusden. Overal laten gemeenten, bedrijven, maatschappelijke organisaties en buurtinitiatieven zien dat het mogelijk is om maatschappelijke productiviteit te waarderen en belonen. Of je het nu de onderstroom wilt noemen of de nieuwe polder: we zijn al volop in beweging.
Met veel dank aan Sigrid Hemels, André van der Veen, Wytske Versteeg, Wieteke Conen, Cecilia Hendrikx, Kees Mosselman, Rickert Pos, Mark Molenaar, Dick Timmer, Suzanne Potjer, Lotte Vergouwen, Boudewijn Goos, Alice de Boer, Josien Arts, Hafid Ballafkih, Judith Elshout, Mathieu Portielje, Femke Roosma, Jolien Francken, alle andere NIAS Fellows, alle deelnemers van de IXA Opleiding Impact, en vele anderen met wie ik de afgelopen tijd in gesprek ben geweest.
Speciale dank aan Instituut Gak voor het mogelijk maken van mijn Fellowship, en Jorrit van Mierlo en Danny Taufik voor het goede contact.
De komende maanden ga ik verder met mijn boek. Wil je op de hoogte blijven? Stuur me een bericht of meld je aan voor mijn mailing.
