Naar een overheid die prosociaal investeert
door arjendewit
Presentaties helpen altijd om je gedachten scherper te krijgen. De afgelopen weken gaf ik er twee. De eerste was bij het netwerk van onderzoekers op het gebied van sociaal beleid (ESPAnet) in Lissabon. Op dit congres viel vaak de term sociale investering, als leidend paradigma van de moderne Westerse welvaartsstaat. Toevallig was de tweede lezing op een seminar over paradigma-shifts, met collega’s van het Amsterdam Public Health-instituut. Dat zette me aan het denken: wat is het alternatieve paradigma voor een welvaartsstaat die onbetaald werk beter waardeert en beloont?
Werk wordt vaak gezien als een ‘medicijn’ tegen psychische klachten, sociale isolatie en lichamelijke achteruitgang. Dit past in de manier van denken over werk en participatie die de meeste Westerse welvaartsstaten sinds het einde van de twintigste eeuw volgen: het idee van sociale investering. Je bent zelf verantwoordelijk voor je deelname aan de samenleving, is het idee, en de overheid helpt jou daarbij; investeert in jou. De overheid probeert er bijvoorbeeld voor te zorgen dat we gedurende ons hele leven onderwijs, trainingen en cursussen doen, om ‘goed inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt’. Want betaald werk is in de sociale investeringslogica de beste manier om zinvol mee te doen in de samenleving.
Dit klinkt goed, want werken is ook vaak goed voor inkomen, sociale contacten en zingeving. Maar:
- Werk vraagt veel van ons, omdat het vaak flexibel en onzeker is;
- Mensen met precair werk hebben een relatief slechte fysieke en mentale gezondheid;
- Door de toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen werken we als samenleving onverminderd hard, terwijl we minder tijd hebben voor onbetaald werk zoals huishoudelijke zorg en mantelzorg;
- De combinatie van werk en (mantel)zorg geeft vaak stress;
- Vrouwen doen nog steeds het grootste deel van het zorgwerk, waardoor genderongelijkheden in stand blijven;
- De norm dat je betaald zou moeten werken is schadelijk voor mensen zonder betaalde baan, die worstelen met stigma en bestaansonzekerheid – ook als ze waardevol onbetaald werk doen.
Dat onbetaald werk onbetaald is, volgt niet vanzelf uit de aard van het werk. Zo doet een mantelzorger vaak dezelfde taken als een betaalde zorgverlener, maar dan zonder regeltjes, voorschriften en arbo-wetgeving. Ook vrijwilligers en betaalde krachten doen vaak hetzelfde werk.
Een groot deel van de geschiedenis bestond er voor de meeste mensen helemaal geen duidelijk onderscheid tussen werktijd en ‘vrije tijd’: je werkte op het land, verkocht wat, deed wat in het huishouden, hielp de buren een handje. Pas met de Industriële Revolutie werd de klok belangrijk. Eerst met lange werkdagen, uiteindelijk in een achturige werkdag. Zo is er een hard onderscheid gekomen tussen betaald en onbetaald werk – niet alleen in het salaris, maar ook in de tijd die we eraan besteden en de betekenis die het heeft in ons leven.
Als we nog verder uitzoomen, en kijken naar de honderdduizenden jaren dat de mens als soort op aarde is, is het tamelijk uniek dat we überhaupt bazen, contracten en geldschieters hebben. Tijdens 98% van de geschiedenis van de mensheid leefden we in groepen waarbij gejaagd wild en ander voedsel werd gedeeld met de groep, in ruil voor ander voedsel of andersoortige hulp en diensten. Als er sprake is van een natuurstaat van de werkende mens, dan is het zo’n systeem van wederkerig altruïsme, waarbij iedereen naar vermogen bijdraagt en je voor jouw bijdrage aan het geheel vanzelfsprekend meedeelt in alle gezamenlijke opbrengsten.
Werken gaat altijd over samenwerken, want door te werken bereiken we gezamenlijk doelen die het nastreven waard zijn. We bouwen bruggen en viaducten, we ontwerpen stoelen en tafels, we creëren gedichten en opera’s. Geen daarvan kan tot stand komen zonder samenwerking.
Werk kun je zien als een gift, een vorm van prosociaal gedrag: gedrag dat bedoeld is om elkaar te helpen. Het gebruik van de term werkgever heb ik dan ook altijd vreemd gevonden. De enige die werk geeft, is de persoon die het werk doet.
Misschien moeten de welvaartsstaat meer op die manier inrichten. Geen sociale investering, maar prosociale investering. Een welvaartsstaat waar zorg een collectieve verantwoordelijkheid is; die vrijwilligerswerk, mantelzorg en huishoudelijke zorg waardeert, faciliteert en beloont; waar maatschappelijke productiviteit een kerndoel is, naast economische productiviteit; en die een leefbaar inkomen garandeert, onafhankelijk van je werk.
De vraag rijst dan al snel: is dat wel betaalbaar?
Ik heb meerdere ideeën over die vraag, maar een ervan is deze: als we meer ruimte geven aan onbetaald werk, vermindert dit de druk op ons als werkende mens. De prosociale welvaartsstaat is daarmee ook een preventieve welvaartsstaat. In plaats van zorgkosten door de gevolgen van burn-out, overbelasting, bestaansonzekerheid en stigmatisering, investeert de overheid aan de voorkant in waardevol werk en een gezonde balans tussen werken en zorgen. Vrijwilligerswerk en mantelzorg hebben bovendien aantoonbare maatschappelijke en economische baten die publieke (zorg)kosten kunnen drukken.
Wie weet kan werk dan weer echt een medicijn worden voor een gezond en gelukkig leven. Op de website GGZ-standaarden staat het treffend omschreven: ‘Wat voor medicijnen geldt, geldt ook voor werk: de juiste dosering maakt het effectief, verkeerd gebruik kan juist schaden.’
