Toen (2)
Je jurk rook naar modder en vrouw.
Je jurk rook naar modder en vrouw.
Weet je nog, dat we geen idee meer hadden hoe laat het was? Er was alleen de zon. We liepen door de velden en hoefden niets te zeggen, en de lakens aan de waslijn in de verte bolden op door de zachte zomerbries.
Weet je nog dat we wijn dronken in het gras? Dat we keken naar de spreeuwen die luid kwetterend rondjes draaiden boven het graan?
Misschien blijft dit wel altijd zo, zei je, en kunnen we laten zien dat eeuwige liefde bestaat.
Weet je dat nog?
Op dat moment drong het nog niet tot me door.
Het moment dat het bord uit je handen is geglipt maar het nog niet in scherven uiteen is geklapt op de keukenvloer. De tijd tussen de sprong van een brug en het raken van het water. Als je het nummer al hebt ingetoetst maar niet op de groene knop durft te drukken omdat je zo opziet tegen dat gesprek. Een voetbalstadion als de bal in blessuretijd richting het lege doel hobbelt. Vlak voordat je klaarkomt, als je weet dat je niet meer terug kunt maar het echte orgasme nog moet beginnen. De seconden tussen een lichtflits en de donderklap, waarin er even geen vogel fluit.
Een moment dat filmmakers altijd in slowmotion laten zien.
Zo’n moment.
Ik praat tegen je. Ik wijs je op de mooie spullen die ik heb, op de gedachten die ik ooit nog eens moet vertellen.
Elke avond val ik met je in slaap. Ik poets mijn tanden, groet mezelf in de spiegel en kruip naast je onder het dekbed. Dan pak ik je warme lijf vast en geef je een zoen in je nek. Dan fluister ik welterusten, en dat ik zeker weet dat alles goed komt.
“Ken je het overview-effect?”, vraagt Hans.
“Wat?”
“Het overview-effect. Dat is wat astronauten vaak meemaken nadat ze de aarde vanuit de ruimte hebben gezien. Het verandert hun hele wereldbeeld – letterlijk.”
Het gras is vochtig van de nachtelijke dauw. Krekels kraken steeds zachter, bang dat de duisternis straks weer verdwijnt. “Dat zal wel bijzonder zijn, ja”, zegt Eva. Ze twijfelt even, kijkt hem aan en likt traag langs haar lippen. “Wat verandert er dan in hun denken?”
“Nou ja, stel je voor: de aarde is opeens niet meer een vast object waar je op kunt zitten om naar de sterren te kijken zoals wij nu doen, maar een klein bolletje, zwevend in een leegte die nooit ophoudt. Astronauten die dat hebben gezien vinden vervolgens dat we voorzichtiger moeten omgaan met al het kwetsbare leven hier.”
Ze zwijgen. Een verpletterende sterrenhemel kijkt neer op het huisje, de bomen en twee donkere silhouetten.
De atmosfeer eindigt zo’n honderd kilometer van het aardoppervlak, hemelsbreed de afstand van Amsterdam naar de Duitse grens. Daarboven begint de ruimte.
“Ooit komt er een tijd”, vervolgt Hans, “dat een ruimtereis net zo eenvoudig is als een vliegreis nu. Dat betekent ook dat bijna iedereen een keer naar de ruimte kan, en iedereen een keer de aarde kan zien zweven in de eindeloosheid.” Hij gaat rechtop zitten en kijkt haar enthousiast aan. “We gaan allemaal anders denken over onze rol op aarde en hoe alles met elkaar samenhangt. We zien in dat oorlogvoeren en afval produceren de doodsteek is voor ons kwetsbare wereldje. Zonder veel discussie verschuift onze aandacht van productie naar bescherming. Fabrieken worden gesloten en houtkap gestopt. Mensen gaan zelf in hun tuintjes groente verbouwen, dieren mogen vrij rondlopen en er is nooit meer oorlog.” Hij is steeds harder gaan praten. “Zou dat kunnen, denk je?”
Het duurt even voor de krekels de nacht weer overnemen. Geruisloos staat Eva op het uit natte gras en loopt naar hem toe. “Daarom hou ik van je”, fluistert ze, en haast onvoelbaar kust ze zijn haren. Met een zachte klik sluit de deur zich achter haar.
Dit is het verhaal van een generatie. Het verhaal van mensen die alles kunnen behalve leven. Ik vertel het op luide toon zodat iedereen het kan beluisteren, nu en later. Omdat het geroepen moet worden. Het snijdt aan de pijn, de grote pijn van de plicht tot geluk.
Hier staan we, de kinderen van de kunstenaars, de onderwijzers en de ambtenaren, vol van het prachtige verhaal dat we horen en vertellen: we zijn leuk en betrokken en doen interessante dingen die passen bij onze unieke persoonlijkheden. Maar het is een verhaal dat verdoezelt.
Het probleem is dat we moeten. We moeten denken, inspireren en voldoen; in het werk, de liefde en de vriendschap. Alles is nog mogelijk.
Dat verhaal is niet waar, dat ga ik duidelijk maken. Daarom vertel ik over rollende tranen en laklaagjes en valse verwachtingen en de angst om te weinig te worden.
Ik schreeuw mijn belevenissen. Mijn belevenissen maar voor mij ieder ander die weet wie Bassie en Adriaan waren. De luxe van iedere dag tv, weet je. Verschrikkelijk. We leven met talkshows en afspraken die de wereld zogenaamd een stukje beter maken maar we doen niks, de wereld fikt af, we zien het en we weten het en verdringen de waarheid met borrels en oergezellige etentjes.
Ik vertel het zo eerlijk mogelijk, al is het lelijk. Waarom moet alles mooi zijn, nog zoiets.
Dit is mijn verhaal: we doen maar wat, voldoen nooit aan de eisen en vluchten voor ongeluk met drank, drugs en andere malle hobby’s. Weg met de hoop. Weg met de plicht tot geluk. Ik zeg het je. Dit is mijn verhaal.
Hij weet niet hoe lang hij nu al uit het raam zit te staren. Iedere dag en ieder uur is het verdriet dieper geworden en dieper – tot er in zijn hoofd geen ellende meer bij kon, als een kopje thee waarin het vergeten zakje zo lang heeft getrokken dat de smaak er niet meer sterker van wordt.
Een vel papier ligt wit voor me op tafel. Ik pak een pen en teken kleine kubusjes. Dat doe ik altijd als ik me verveel: eerst een vierkantje, dan de diepte. Meestal doorzichtige kubussen, soms dichte blokken. Na een rij kubussen schrijf ik bovenaan het blad: ‘Ik wil weg.’ Met kleine letters, te klein voor het grote vel.
Ik heb wel eens gelezen dat Adolf Hitler zijn handtekening steeds kleiner ging zetten naarmate de oorlog vorderde en voor hem slechter begon te verlopen.
Het staat er wel: ‘Ik wil weg.’ Drie woorden, acht letters, een punt. Het is iets dat ik me maanden geleden heb voorgenomen: een jaar stoppen met die onzinnige studie en dan weg, zo lang ik maar wil en waarheen ik maar wil. Alleen op de wereld.
Maar toen kwam zij.
We lopen de straat uit. Ik besef me ineens dat we halverwege zouden wisselen van gerecht.
“Wilde je niets van die pasta?”
Ze glimlacht. “Je zat zo lekker te smikkelen.”
Mijn adem weerspiegelt in haar ogen.