Arjen de Wit

Categorie: Proza

De patriarch

Het was gezellig in de eetzaal. Wij zaten aan een tafel ervaringen uit te wisselen met een Brits stel, aan de andere tafel zaten mannen met dikke nekken te lachen en te proosten. Dat is belangrijk in Georgië, proosten, dat doen ze met ernstige gezichten en lange toespraken.

De man die het hoogst in de hiërarchie leek te staan was een kale politie-officier met een pistool in zijn riem. Hij riep ons, hij hief zijn glas en we gingen staan maar hij gebaarde dat we moesten zitten en we gingen zitten – nee, alleen de dame moest zitten. Daar stonden we, de politieman wees naar het portret van de patriarch aan de muur en alle mannen proostten op de patriarch.

We protesteerden niet, we bleven niet zitten uit solidariteit met de vrouw in ons gezelschap. We proostten met een gewapende politiebaas op het portret van de patriarch.

Dylan

De kroeg om ons heen wordt vager, alsof iedereen iets zachter gaat praten. Ze vertelt over Palestijnse vluchtelingen, ik luister en kijk naar haar lachende ogen.

Daar is het leven echter, vindt ze, omdat de dood altijd dichtbij is.

In het café klinkt Bob Dylan en in mijn hoofd zing ik zachtjes mee:

Ik wil je.

Gratis wonen

Ik wil niet meer werken, denkt Arjen, dus moet ik zorgen dat ik gratis woon. Hij is het wel een beetje zat met de verplichtingen die het werk met zich meebrengt en doet liever iets voor zichzelf. Dus nu wil Arjen kraken. Hij gaat langs bij het kraakspreekuur en sluit zich aan bij een groep mensen in een leeg kantoorpand bij Sloterdijk. Daar woont hij, zonder vast werk maar met een woning in de voormalige vergaderkamer van het bestuur met een grote ovalen tafel, waar ooit mannen in pak achterovergeleund zaten te overleggen en die nu dienst doet als eettafel en bureau.

Arjen werkte zelf ook op een kantoor, maar hij heeft geen zin meer om te werken. Je moet zoveel, als je werkt voor een baas, en hij liep al heel lang rond met plannen voor een roman. Nu zit hij elke dag te schrijven in de bestuurskamer, met zijn laptop achter die grote tafel, en verdient af en toe wat geld door spontaan getypte verhalen te verkopen of een artikel te schrijven voor een opinieblad.

De krakers keken hem eerst wat wantrouwend aan. Een goedgeklede man die zegt dat hij gratis wil wonen, dat past niet in het beeld van de idealist in een zwarte trui die protesteert tegen het gebrek aan betaalbare woonruimte in de stad. Maar waarom zou het eigenlijk niet kunnen, kraken omdat je dan de handen vrij hebt voor andere dingen?

Oude mensen die op sterven liggen noemen dat als hetgeen waar ze het meest spijt van hebben: dat ze nooit minder zijn gaan werken.

Het kost Arjen twee jaar om zijn roman te schrijven. Het gaat over de zomer van 1995, toen Ajax de Champions League won terwijl blauwhelmen in Joegoslavië getuige waren van de grootste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het boek wordt goed ontvangen en Arjens verhaal trekt de aandacht. Kraken omdat het gratis is, eigenlijk kan iedereen dat doen. Waarom nog zoveel werken? En andere mensen gaan het ook doen, ze zeggen hun baan en huis op en nemen hun intrek in leegstaande huizen en kantoren, of ze zetten hun caravan op een braakliggend stuk grond. Ze nemen hun belangrijkste spullen mee en gaan datgene doen waar ze altijd al meer tijd in hadden willen steken: schilderen, schrijven, lezen, fotograferen, meer bij de kinderen zijn en vaker op bezoek bij pa en ma in het bejaardenhuis. Kraakpanden worden overspoeld met mensen die het gemaakt hebben in de samenleving maar nu uit hun vaste ritme stappen. De zwarte truien maken langzaam plaats voor nette ruitbloesjes. Gratis wonen voor iedereen.

Ten huwelijk

Waarom vijf of zes jaar wachten voordat je trouwt met iemand?”, vraagt ze zich af. “Ik wil gewoon voor iemand kiezen die ik tegenkom en met wie het meteen goed voelt. Het kan misgaan maar het kan altijd misgaan, kijk maar eens hoeveel stellen er scheiden.”

Ze kijkt me aan met die donkerbruine ogen. Ik besef me dat ik haar hier en nu ten huwelijk kan vragen, dat het een idioot plan is maar dat ze waarschijnlijk nog ja zou zeggen ook. We zouden het gewoon doen, ook al kennen we elkaar net vier dagen en wonen we in verschillende delen van de wereld.

De donkerbruine ogen kijken me aan. “Waarom niet?”

Verjaardag

“We hebben het er wel moeilijk mee, ja, we hebben het er wel moeilijk mee gehad.” Hans kijkt even naar zijn vrouw, die naast hem op de bank in gesprek is met de moeder van de jarige. “Maar nu gaat het beter.”

 

Zaterdagavond

Ik vier een feestje met hasj, muziek en sigaretten. Niemand is uitgenodigd.

 

In bed

Ze komt overeind, trekt haar kleren uit en komt weer naast me liggen. “Ik wil mijn huid even tegen de jouwe voelen”, zegt ze.

 

Haar droom

Na de eerste keer voelde ik me vies. Al die mannen die naar je borsten en billen kijken, vooral mannen boven de veertig die met geld wapperen alsof ze aapjes voeren. De eerste keer dacht ik dat mijn lichaam niet goed genoeg was, dat de mannen me uitlachten. Maar dat deden ze niet. Ze hielden van me, ze hielden van mijn striptease met de hoelahoep, ze hielden van mijn lijf.

Elke avond besefte ik waarvoor ik het deed. Ik telde mijn geld, wandelde de club uit en fietste naar huis in de donkere nacht terwijl ik dacht aan alle mensen die het Zuiden nooit zouden verlaten. Ik wel, ik zou deze plek ontvluchten en een nieuw leven opbouwen.

Het onvermijdelijke gebeurde: op een avond zat er een bekende in de zaak, een leraar van mijn oude middelbare school. Natuurlijk zag hij mij ook en na de show kwam hij naar me toe. Hij leek niet beschaamd. Waarom, vroeg hij, en of dit is wat ik wilde met mijn leven. “Ik wil genoeg verdienen om naar New York te verhuizen en artiest te worden; ik maak schilderijen”, zei ik zacht, terwijl ik hoopte dat hij niets tegen mijn ouders zou zeggen. Ik keek op en zag dat hij het begreep. “Ik kom hier niet vaak”, zei hij, “misschien twee keer per jaar. Ik ga er vanuit dat je weg bent als ik hier weer kom.” Hij keek me recht in de ogen, en mensen die je in de ogen kijken hebben meestal gelijk.

Inmiddels hield ik van mijn lichaam en het geld dat naar me gegooid werd. Maar ik zou vluchten, ik zou meer zijn dan dat arme zwarte meisje uit Virginia. Nog één keer fietste ik ’s nachts langs de huizen waar mensen voor de rest van hun leven op de veranda’s zouden zitten. Ik heb de leraar nooit meer gezien.

 

Studentenhuis

Af en toe bleef ze slapen in mijn eenpersoonsbed. Dan zaten we op de bank en dan zeiden we dat we naar bed gingen, en dan vroeg ze of ze bij mij mocht. Dan zoenden we en voelde ik wat aan haar lichaam. Onze lijven vouwden zich steeds makkelijker om elkaar heen en zo sliepen we, met het kleine zolderraampje vlak boven ons.

 

We liggen

Ik lig IK LIG in het gras naast het huis van haar ouders en luister. De avondzon valt op de heuvels. Ze komt net onder de douche vandaan, ze geeft me een frisse zoen en ze ruikt naar zomer.

We liggen WE LIGGEN en luisteren, naar de vogels die lawaai maken en de hond die blaft naar het busje van een postkoerier. Verder is het stil.