Arjen de Wit

Verhalen

Amerikaanse droom (11)

“Wordt er in Amsterdam nog een beetje…”, vroeg hij, en hij inhaleerde nadrukkelijk door zijn neus, “…gefeest?”

 

Advertenties

G-Zuid

Straks komt mama. Ze zal zeggen dat het goed is dat ik hier zit, maar aan haar ogen zal ik zien dat ze zich zorgen maakt. “Zullen we lekker een bakkie doen?”, zal ze vragen, want we houden allebei van koffie.

 

Nooit

“Ik heb zin om ergens zin in te hebben”, zegt ze.

 

Kater

“Ach ja”, zegt ze. “Het overkomt je.”

 

Caffè latte

Ze loopt naar de deur. Van deze kant zie je de achterkant van het bordje: ‘Gesloten’. Alsof de wereld dicht is en niemand meer de straat op mag.

Ze kijkt hoe de tegels glimmen, hoe de mensen voorbijlopen onder zwarte paraplu’s. Dan doet ze haar capuchon op, trekt de deur open en verdwijnt in de regen.

 

Jazz (2)

Het hele optreden had ze achteraan gestaan met een glas in haar hand. Ze had een wit truitje aan. Na afloop, toen we nog even aan de bar zaten, kwam ze naar me toe.

“Bedankt”, zei ze. “Ik vond je heel goed.”

Ik vond je heel goed, had ze gezegd, niet ik vond het heel goed of ik vond jullie heel goed. Ze stapte van het ene been op het andere. Haar borsten trilden.

 

Broer en zus

“Eerst was je nooit zo”, zegt hij.

Ze staan te wachten voor het stoplicht, de ellebogen op het stuur van hun fiets. Het is al bijna avond.

Ze laat haar kauwgom klakken en haalt haar schouders op. “Eén slokje kan toch geen kwaad?”

 

Amerikaanse droom (10)

Het liefste zou ik de eerste twintig jaar van mijn leven niet meetellen. Het liefste zou ik beginnen na de dood van mijn vader, na de dood van mijn moeder, na mijn schooltijd. Maar ik wil het hele verhaal vertellen. Ik wil ook vertellen over de stille middagen aan de keukentafel en de grijze straten in de winter, over de ogen van mijn moeder en het geluid van haar gitaar.

 

Troost

Echt regen kun je dit niet noemen, maar toch wordt alles nat. De tegels op het Cornelis Troostplein glimmen.

Het is drie uur. Mensen gaan voorbij, op weg naar de markt, naar de Hema, naar de Blokker.

Ze pakt mijn hand en kijkt me aan. “Biertje?”

 

Proloog (2)

Dit verhaal had moeten gaan over eenzame autoritten en verlaten snelwegen. Het had moeten vertellen hoe groot de bekers wel niet zijn in Amerika, hoe veel dikke mensen je ziet en dat het land is ingericht op auto’s en creditcards. Hoe gemakkelijk het leven gaat, zeker als je geld hebt. Hoeveel zwervers er op straat liggen. Dat het Starbucks-logo langzaam plaatsmaakt voor dat van Waffle House als je verder naar het zuiden rijdt. Hoe zout het eten is, of hoe zoet. Dat al het fruit smaakt alsof het ingespoten is met spierversterker. Hoe duur de supermarkten zijn vergeleken met afhaalmaaltijden. Dat er overal vreten wordt verkocht, en dat iedereen overal aan het vreten is.