Onbewaakt
Zo gelukkig dat het pijn doet.
Dat je het niet kunt geloven.
Dat het tegen je schedel drukt.
Hoger kan niet.

Zo gelukkig dat het pijn doet.
Dat je het niet kunt geloven.
Dat het tegen je schedel drukt.
Hoger kan niet.

Het is zo’n moment op de late avond dat het nog geen nacht is en er nog voldoende mensen buiten zijn. Muziek schalt slecht hoorbaar door de straten; twee jongens luisteren hiphop en uit het café klinkt Surinaamse muziek. Een verwarde vrouw met een rode pet schreeuwt tegen niemand over Mariken van Nimwegen en Joost van den Vondel, over negers die op straat worden doodgetrapt, over kinderen in uniform. Ze kijkt niet op. Ze kijkt nooit op.
Zacht luistert het meisje naar de stilte van een huis zonder hem. Ergens wordt een wc doorgetrokken. Water en ontlasting gorgelt door het gebouw, ze hoort het suizen van het toilet en het vieze water dat door de muren naar beneden stort.
Ze zit op de bank.
Nu zet iemand een douche aan. Dit water daalt rustiger, een tevreden gesis dat niet eens op zou kunnen vallen totdat het weer stopt. Ze bedenkt wie zich nu zou wassen, een man of een jongen of een vrouw of een meisje, hoe vies het zou zijn. Ze houdt haar oor tegen de muur om het water beter te horen. Ogen sluiten. Nadenken. Bedenk de temperatuur. Bedenk wat er bij zit: zweet, modder uit het park, misschien wel bloed uit een wondje van het scheren, misschien wel sperma. Het blijft maar stromen, ze luistert naar het geruis en even is ze tevreden. Toch nog verbaasd haalt ze haar hoofd van de muur als het water met een harde hik stopt. Een laatste restje warm water daalt door de flat.
Dan tikt en klikt de voordeur.
Mijn beste vriend zei dat alles goed zou komen, toen we biertjes zaten te drinken in een kroeg in de Linnaeusstraat. Ajax speelde en verloor. We treurden niet. Alles komt altijd goed, dat is het hele probleem.
Hier moet het gebeuren, dacht Arjen. Het was stil in het Stedelijk Museum. Mensen schuifelden van zaal naar zaal, stiefelden langs de werken. Een omaatje moest de arm vasthouden van haar man, die nog goed ter been was. Ze leek het allemaal niet goed te kunnen zien, en tuurde steeds ingespannen door haar bril om de kleuren op de doeken te zien. Af en toe murmelde de man wat in haar oor. Ze leken best tevreden.
Vreemd, dat de jongen juist nu moet denken aan de kleuren van de trams. De wagens zijn wit en blauw, zo wit en blauw als wolken op een Noord-Amerikaanse namiddaghemel. Ieder kind tekent de wolken blauw en de lucht wit. Toch kan niemand zich het moment herinneren waarop hij besefte dat het helemaal niet klopte, dat hij naar de lucht keek en dacht: ‘Het is andersom, kijk nou toch, de wolken zijn niet blauw maar wit en de lucht is niet wit maar blauw, ik heb het altijd verkeerd gedaan’, waarna hij voor de rest van zijn leven witte wolken en blauwe lucht tekent.