Onenightstand
“Tot ons dertigste zijn we allemaal nog pubers”, zegt ze.
“Tot ons dertigste zijn we allemaal nog pubers”, zegt ze.
In een tentje, op een MP3-speler, Nirvana Unplugged luisteren.
Vandaag heb ik geen zin. Ik zou wel een extra dag willen, een dag waarop ik niets hoef te doen en de rest van de wereld stilstaat, zodat morgen verdergaat waar vandaag was gebleven.
“Je ziet er mooi uit”, zegt ze, “zelfs als je nog wakker moet worden”.
We aten weer eens biefstuk, van die goedkope stukken vlees uit de diepvries die we in verpakkingen van twintig bij de Walmart kochten en die mijn moeder met zo veel boter opbakte dat ze in een plas gelig vet op je bord kwamen te liggen.
Mijn moeder zei niet veel toen we aan tafel zaten. Arjen bestelde een pizza waar zoveel kaas opzat dat hij een groot deel liet liggen, terwijl hij normaal altijd alles opat wat voor hem lag. Beteuterd keek hij naar het kleffe plakkaat. Het was afgekoeld en had een grote plak gevormd, als een frisbee waarmee kinderen overgooien in het park. Welkom in West-Virginia.
Mama pulkte aan haar vingers, Arjen staarde naar de t-shirts die aan een rek hingen: ‘2nd amendment – right to defense’.
Ik schaamde me voor mijn moeder, voor het plastic eten, voor de smakeloze shirts. Ik schaamde me voor mijn land.
Vanuit het openluchttheater danst de muziek door het park. Hits van Aretha Franklin, vertolkt door een zangeres uit een talentenjacht. Als het nummer is afgelopen galmt het gejuich tegen de iepen.
“Ik ben bang”, zegt ze.
“Waarvoor?”
“Voor jou. Voor ons.”
Ik draai me op mijn zij en kijk haar aan. In haar zonnebril weerspiegelen mijn gezicht, een boom en de blauwe hemel. “Ik zie mezelf.”
De zomerlucht was gevuld met het geluid van krekels. We lagen in het gras onder de perenbomen, zonder iets te zeggen en zonder iets te wensen. De hond blafte naar een koerier die voorbijreed. Het geronk stierf langzaam weg toen het bestelbusje achter de volgende heuvel was verdwenen.
“Er is iets gebeurd met een vliegtuig”, zei haar moeder vanuit de deuropening, “waar heel veel mensen uit jouw land in zaten.”
“Kijk”, zeg ik als we op het strand liggen.
We zijn samen, terwijl we allebei geloven dat relaties vroeg of laat uitlopen op teleurstellingen. We zijn samen tot het misgaat.
“Dit moment”, zeg ik, “dit moeten we dus onthouden.”
“Je bent mooi”, zegt ze, en ik kan het niet geloven.
We liggen in haar bed, moe van de drank en de sigaretten van gisteravond. Het was haar feest gisteren, iedereen was er speciaal voor haar en ze was blij dat ik er was. Eigenlijk wilde ze geen vriendje, eigenlijk wilde ze een sterke onafhankelijke vrouw blijven.
“Sorry dat ik je niet binnenliet”, zegt ze.
“Waarbinnen?”
Ze wijst op haar hart.