Overkant

“Ze hebben wel eens onderzocht hoeveel mensen op de pont onder invloed zijn op dit tijdstip”, zegt mijn beste vriend. Het is vijf uur ’s ochtends en we kijken over het IJ. “Honderd procent”, zegt hij. “Gewoon niemand niet.” Hij grinnikt en kijkt richting Noord, waar zijn vrouw en kind een onschuldige slaap slapen. Naast ons wrijft een man gedachteloos over het stuur van zijn scooter.

De boot glijdt naar zijn haventje. Eigenlijk wonderlijk dat er nooit ongelukken gebeuren hier, met al dat verkeer op het water. Wij varen ook wel eens voor Centraal langs met onze sloep en met ons nog honderd andere booteigenaars zonder vaarbewijs. Morgen ga ik een bos bloemen geven aan de schipper van de pont, of een doos moorkoppen die hij kan uitdelen in de kantine met de andere schippers. Zouden ze wel eens een cadeau krijgen?

Het gepiep begint en de klep zakt omlaag. De man start zijn scooter, ik kus mijn beste vriend gedag en blijf staan terwijl de minuten op het bord aftellen tot het volgende vertrek.

Het is bijna ochtend en niemand is nuchter. ‘Amsterdam’, zegt het station met grote letters. Een jongen en een meisje komen voor me staan. Op de achterkant van zijn pet staan drie kruizen onder elkaar. Hij trekt haar tegen zich aan terwijl ze samen naar de letters kijken aan de overkant die straks niet meer de overkant is. De hemel wordt lichter en lichter en, terwijl de boot het water van het IJ opzij duwt, de letters groter en groter.

Advertenties